NAAP sympodium 2006: Overdracht en Tegenoverdracht Kritisch Beschouwd

een verslag van Ed Thelosen , Klinisch-psycholoog/psychotherapeut GGzE

 

Inleiding

Dit 2-daagse weekendsymposium wordt georganiseerd door de NAAP, de Nederlandse Associatie voor Analytische Psychologie. De grondslag voor de Analytische Psychologie is gelegd door Carl Gustav Jung (1875-1961) en daarna verder ontwikkeld door latere analytici. De NAAP is een nog jonge vereniging, zoals voorzitter Barbara Miller tijdens haar inleiding op het symposium vertelt. In 2001 werd de vereniging opgericht als Nederlandse afdeling van de International Association of Analytic Psychology (IAAP) die al wat langer bestaat namelijk vanaf 1955. Het doel van de NAAP is het op wetenschappelijk niveau bevorderen en ontwikkelen van de Analytische Psychologie in Nederland. Daarnaast streeft de NAAP naar bescherming en handhaving van een hoog kwaliteitsniveau van het beroep van Jungiaans Analyticus.

Het is een mooi najaarsweekend en het vooruitzicht om een groot deel van dit weekend in een warme conferentiezaal proberen door te dringen in de Jungiaanse visie op overdracht en tegenoverdracht vervult mij met ambivalente gevoelens. Maar de gastspreker mrs. Jan Wiener weet gelukkig een welkome intellectuele verkoeling te geven. Zij is een Britse Jungiaans analytica en hoofd opleiding bij de British Society of Analytic Psychology en British Association of Psychotherapists. Met een helder opgebouwd vierluik dat wordt becommentarieerd door vier verschillende respondenten vanuit andere psychoanalytische scholen weet zij haar publiek continu te boeien.

 

Lezing 1: Jung’s Ambivalence about Transference: The Legacy for Analytical Psychologists

In haar eerste lezing staat Jungs ambivalentie t.o.v. de overdracht centraal. Wiener betoogt dat de complexe relatie tussen Jung en Freud van invloed is geweest op de onduidelijkheid over het belang van de overdracht binnen de therapeutische relatie. Haar eigen definitie van het begrip ‘overdracht’ luidt: een onbewuste vorm van projectie van de patiënt op de analyticus. Freud beschouwde de overdracht meer als een vorm van weerstand. Hij introduceerde het begrip weerstandsneurose, de dwang om verdrongen materiaal uit het verleden te herhalen in het heden.

Jung daarentegen had grotere interesse in de geprojecteerde inhoud van het niet verdrongen onbewuste, het nog-niet-gekende. Hij noemde dit het collectief onbewuste. Jung’s definitie van de overdracht is in tegenstelling tot die van Freud verre van eenduidig. Wiener wijst op de tegenstrijdigheid van Jung’s ideeën hierover aan de hand van de briefwisseling tussen Jung en Freud in het voorjaar en zomer van 1909. Uit die birefwisseling blijkt Jung’s worsteling met de erotische overdracht van zijn (beroemde) patiënte Sabina Spielrein. Wiener verklaart daarmee Jung’s ambivalentie m.b.t. de overdracht die hem afleidde van zijn toewijding aan de archetypische droom. Desalniettemin heeft Jung volgens Wiener een belangrijke bijdrage geleverd aan de ontwikkeling van een meer volwassen en gesofisticeerde benadering van de overdracht. Jung’s visie is meer gericht op het doel (causa finalis) met betrekking tot het individuatieproces terwijl Freud de verklaring meer zocht vanuit het infantiele verleden (causa efficiens).

Als respondent op deze eerste lezing van Jan Wiener treedt Dr. Jef Dehing op, opleider van de Belgische school voor Jungiaanse Psychoanalyse. Hij pleit ervoor om termen als Jungiaanse identiteit te vermijden. Hij definieert overdracht liever in de termen van Bion als ‘projectie op een ander menselijk wezen van delen van het zelf die nog niet geïntegreerd zijn. Dehing benadrukt dat Jung als ‘container’ voor psychotische inhouden vooral gericht was op niet-menselijke instanties zoals de Gnosis, alchemie en mythologie. Dehing vindt dat Jung het belang van de ‘ander’ en van intersubjectieve processen onvoldoende heeft erkend.

 

Lezing 2: Working ‘with’ and working ‘in’ the Transference: Embracing Diverse Approaches

De tweede lezing van Wiener betreft het werken ‘met’ en het werken ‘in’ de overdracht.

Allereerst gaat Wiener in op de vraag of overdracht (Jung gebruikte het woord ‘Übertragung’) een natuurlijk fenomeen is dat eigen is aan alle relaties of dat het om een specifieke manifestatie gaat van de bijzondere relatie tussen patiënt en analyticus. De stelling van Wiener is dat overdracht universeel is maar dat het in de analyse in bijzondere vorm tevoorschijn treedt als een ‘specifieke illusie’ die zich ontwikkelt met betrekking tot de andere persoon. Aan de hand van een mooie casus maakt Wiener het onderscheid tussen werken ‘in’ en werken ‘met’ de overdracht: de overdracht is er, of we het nu leuk vinden of niet, maar als analyticus heb je de keuze om te werken ‘met’ de overdracht ofwel de overdracht te interpreteren. Het debat dat wordt gevoerd tussen de verschillende analytische scholen gaat volgens Wiener over de vraag of de hier-en-nu overdrachtservaring van zelf en ander het belangrijkste doel in de therapeutische actie is.

Aan het slot van haar tweede lezing schetst Wiener de casus van een schizoïde patiënt die zich snel binnengedrongen en in zijn identiteit bedreigd voelt. Aan de hand van dit illustratieve geval maakt zij duidelijk dat bij deze patiënt werken ‘met’ de overdracht met de grootst mogelijke zorg en voorzichtigheid dient te worden benaderd.

Als respondent op deze tweede lezing treedt Dr. Gertie Bögels op. Zij is psychoanalytica en opleider van de Nederlandse Vereniging van Psychoanalyse en het Nederlands Psychoanalytisch Genootschap. Zij leidt haar respons in met een anekdote als voorbeeld van de magische werking van het ‘collectief onbewuste’: de ‘synchroniciteit’ van een toevallig bezoek aan de geboorteplaats van C.G. Jung en de uitnodiging voor dit symposium door Sonja Sleegers, bestuurslid van de NAAP.

Gertie Bögels legt een interessant verband tussen Jung’s probleem met de overdracht en zijn beperking om op passieve wijze een verlangen naar nabijheid en ‘holding’ te ervaren en te verdragen. Bögels wijt dit onvermogen van Jung aan de traumatische ervaring in zijn vroege jeugd van het plotseling verdwijnen van zijn moeder omdat zij voor enige maanden werd opgenomen vanwege psychische problemen. Volgens Bögels ‘droeg’ Jung hiermee zijn diepe teleurstelling in zijn moeder ‘over’ op de liefde als zodanig en zelfs op het leven zelf. En daarmee zou volgens haar ook de vroegtijdige verbreking van de therapeutische relatie met Sabina Spielrein verklaard kunnen worden.

 

Lezing 3: Countertransference and Imagination

De derde lezing van Jan Wiener gaat over tegenoverdracht en imaginatie.

Wiener geeft eerst een overzicht van het begrip tegenoverdracht. Freud definieerde het als de emotionele respons van de analyticus op de stimuli afkomstig van de patiënt welke het onbewuste van de analyticus raken en als zodanig een belemmering vormen voor de spiegel die de analyticus moet bieden. Tegenwoordig wordt tegenoverdracht meer in algemene zin beschreven als het totaal van de gevoelens en gedachtes van de analyticus in relatie tot de patiënt. Het is, aldus Wiener, een onbewust proces dat onvermijdelijk angst oproept. Zij illustreert dit met een ‘vignet’ van haar eigen persoonlijke ervaring. Zij vertelt van haar angstige preoccupatie over de verdwijning van haar kat die haar (neurotisch tegenoverdracht) verhinderde om volledig beschikbaar te zijn voor haar patiënt op dat moment. Bij interpretatie van deze tegenoverdracht bleek het om een gezamenlijk geconstrueerde ervaring te gaan waarin de therapeut via de zorg om haar kat lijfelijk meevoelde met het recente verlies van de hond van de patiënt. De situatie stond symbool voor het verwaarloosde kind dat zocht naar emotionele ondersteuning. Dit is volgens Wiener een vorm van wat Samuels (2006) ‘embodied counter-transference’ noemt. Dit leidt Wiener tot de gedachte of de ervaring met deze patiënt niet beschouwd kan worden als een speciale vorm van actieve imaginatie. Die zou de analyticus weer kunnen gebruiken om de projectie van de patiënt te duiden. Het begrip imaginatie houdt volgens Wiener zowel een mentale ruimte als een mentale functie in. Zij stelt dat voor imaginatie en tegenoverdracht de analyticus dient te beschikken over het vermogen om zowel de mentale ruimte te creëren als de mentale functie te gebruiken. Bollas (1978) noemt dit de ‘countertransference readiness’. Volgens Wiener hebben we de mentale functie nodig om te weten dat we ons iets voorstellen en om in staat te zijn om de betekenis hiervan te begrijpen. In Jung’s termen: de bereidheid om emoties en beelden van het onbewuste te ervaren en vervolgens de betekenis hiervan te achterhalen (‘geschehen lassen’, ‘betrachten’ en ‘sich auseinandersetzen’). Actieve imaginatie in de analyticus kan niet worden losgemaakt van wat er gebeurt tussen patiënt en analyticus. Ogden (1994) noemt dit de ‘analytic third’ die wordt gecreëerd door de interactie van subjectiviteit en intersubjectiviteit in de analytische setting. Volgens Jung begint het proces van actieve imaginatie met een verstorende ervaring. Wiener relateert dit aan haar eerder genoemde ‘vignet’ waar sprake was van een enscenering van de interne moeder die te angstig en te zwak was om goed voor haar kind te kunnen zorgen. Deze enscenering was een gezamenlijke creatie van zowel onprettige subjectieve gevoelens als de geprojecteerde aspecten van de wereld van de patiënt in de overdracht. Volgens Wiener veronderstelt dit wat Jung de ‘transcendente functie’ noemt. Jung verstond daaronder het proces waarin tegenstellingen in dialoog en wederzijdse beïnvloeding kunnen treden om de actuele positie te overstijgen naar een nieuwe positie die plaats krijgt in het ego.

Als respondent op de derde lezing van Wiener treedt Dr. Jos de Kroon op, psychoanalyticus en lid van de ‘Association Mondiale de Psychoanalyse’. Hij stelt dat tegenoverdracht simpelweg de overdracht van de zijde van de analyticus is en dat psychoanalyse zonder tegenoverdracht eenvoudig onmogelijk is. Hij licht het standpunt van Lacan met betrekking tot overdracht toe. Lacan erkent dat zich bij de overdracht bijzonder sterke gevoelens zoals liefde en haat kunnen manifesteren. Maar hij stelt dat de overdracht niet zozeer bestaat uit zulke emoties maar uit structurele kenmerken van de intersubjectieve relatie. Met andere woorden: wat volgens Lacan wordt overgedragen is betekenis van het een naar het ander.

 

Lezing 4: Transference for Life: Keeping the Patient in Mind

In de laatste lezing van het vierluik geeft Wiener allereerst een samenvatting van de voorgaande lezingen om tenslotte een poging te ondernemen om de verschillende draden samen te weven. Zij gebruikt daarvoor de mooie metafoor van Schubert in Gretchen am Spinnrade die op grootse wijze een muzikale relatie tot stand weet te brengen tussen het spinnen en de spinster. Wiener concludeert dat het vermijden of verwaarlozen van de overdracht even restrictief is als het teveel benadrukken hiervan. Patiënten zouden immers anders de kans missen om te leren van een levendige ervaring met de analyticus in aanvulling op het meer intellectuele leren dat voortkomt uit de persoonlijke resonantie van het verleden.

Jung realiseerde zich vanuit zijn eigen ervaring de centrale betekenis van de analytische relatie en het belang van de overdracht als voorloper van een bewustwordingsproces. Hij miste echter een coherente methode en techniek om te werken met de overdracht. Hij was meer geïnteresseerd in de prospectieve functie van symboolvorming. Maar voor onze minder begaafde en getraumatiseerde patiënten met fragiele egofuncties is het vermogen tot symboliseren rudimentair of in het slechtste geval afwezig. Zij kunnen niet spelen en vaak ontbreekt het vermogen tot imaginatie. Dan kan overdrachtsanalyse, d.w.z. samen met de patiënt onderzoeken wat er gebeurt in een sessie, een sleutelrol spelen in het doorbreken van het isolement van deze patiënten.

Wiener betoogt dat wij een methode moeten aanleren die flexibel en gevoelig genoeg is voor al onze patiënten, rekening houdend met de ontwikkelingsfasen, gepast gebruik makend van de overdracht, met bovendien aandacht voor de inhoud, zoals beelden en symbolen. Wiener besluit met de stelling dat voor sommige patiënten de overdracht essentieel is als voorloper voor het vermogen tot symboliseren. Voor anderen behoudt de overdracht de centrale plaats van de psychische ervaring en voor weer anderen dient hij met enige voorzichtigheid benaderd te worden.

De respondent op Wiener’s laatste lezing is Prof. Dr. Harry Stroeken, psychoanalyticus en lid van het Nederlands Psychoanalytisch Genootschap. Stroeken benadrukt nog eens dat voor Freud overdracht een vorm van weerstand is, vanuit de doelstelling van vrije associatie. Voor Freud hoeft die overdracht overigens niet eindeloos geïnterpreteerd te worden. Verder stelt Stroeken dat Freud’s psychologie vooral een één-persoons psychologie is: een patiënt is een vat waarin zich allerlei processen afspelen, en termen als hechting, verbondenheid en verlatingsangst vind je niet bij Freud. Dat is heden ten dage wel veranderd.

In de slotdiscussie van dit interessante symposium komt nog naar voren dat in de moderne neurowetenschappen is aangetoond dat interactie, en dus ook overdracht, een verandering teweeg brengt in de hersenen, waarmee we van de metafysica weer terug zijn bij de fysica, en we vervolgens dit leerzame weekend kunnen afsluiten met een gezellige borrel.

 

Literatuur:

Bollas, C (1978) The Shadow of the Object: Psychoanalysis of the Unthought Kmown. London: Free Association Books.

Ogden, T.H. (1994) Subjects of Analysis. London: Books

Samuels, A. (2006) Transference/countertransference. Chapter 8 inThe Handbook of Jungian Psychology: Theory, Practice and Applications (Papadopoulos, R. ed.) Hove and New York: Brunner-Routledge