Gesprek met Dr
René van Helsdingen
door Barbara Miller, op 15
juli 2008
René
van Helsdingen, auteur van
verschillende boeken over Jung en oud-bestuurslid van de
Interdisciplinaire Vereniging voor Analytische Psychologie, was lange
tijd werkzaam als neuroloog-psychiater te Hilversum. Hij werd in 1915
geboren in het voormalig Nederlands Indië, kwam op jonge
leeftijd naar Nederland en studeerde in Leiden geneeskunde, psychologie
en filosofie. Hij specialiseerde zich in de psychiatrie bij professor
Carp, die zijn interesse voor Jung stimuleerde, en in de neurologie bij
professor Rademaker. Naast het boek "C.G. Jung" verschenen van zijn
hand "De psychologie van de tuberculose patiënt" en "Beelden
uit het onbewuste", waar Jung een voorwoord voor schreef. Hij was zo
vriendelijk om in 2008, op 92-jarige leeftijd, mee te werken aan een
interview door Barbara Miller

Afb. 1
Dr René van Helsdingen 2008
Indische jeugd en komst naar
Nederland
Over zijn Indische jeugd vertelde René van Helsdingen eerder
in
een interview door Paul Revis (Jaarboek van de IVAP, 2006). Hier volgt
een korte samenvatting. René van Helsdingen is in 1915
geboren
in het voormalig Nederlands Indië, in Passoeroean op Oost
Java.
Hij was het tweede kind in het gezin, zijn broer was vijf jaar ouder.
Zijn vader was regeringsambtenaar en werd later gouverneur, de hoogste
bestuursfunctie in de regio. Zijn ouders waren dol op elkaar en hij kon
goed met zijn broer opschieten. Maar toen hij 5 jaar oud was stierf
zijn moeder plotseling aan een infectieziekte. Zijn vader raakte in een
depressie en bleef jarenlang ongehuwd. Zijn vader wilde de kinderen
niet door een baboe laten opvoeden en stuurde ze naar Nederland, iets
dat in die tijd niet ongebruikelijk was. Zijn broer werd op een
kostschool geplaatst en hijzelf werd ondergebracht in een Nederlands
gastgezin. Daar had hij een verdrietige, affectief gevoelsarme tijd,
waaruit hij op zijn 17de werd bevrijd door een tante die hem in haar
gezin opnam. Dit stelde hem in staat de HBS af te ronden waarna hij,
onder invloed van een inspirerende biologieleraar, in Leiden medicijnen
ging studeren.
BM:
Uw eerste boek ging over de psychologie van de
tuberculosepatiënt en was tegelijk uw promotie. Kunt u iets
over dat boek vertellen en over het onderzoek dat tot uw promotie
leidde?
RvH: Ik heb zelf
tuberculose gehad. Ik was student en was vanwege
de mobilisatie in militaire dienst, en in januari 1940, nog voor de
Duitse inval, werd tuberculose bij mij geconstateerd. Ik moest naar het
sanatorium in Hooglaren, ik heb de hele oorlog en daarna tot eind 1946
in het sanatorium doorgebracht. Ik wist niet dat ik tuberculose had,
maar ik bleek een carverne (gat) in mijn longen te hebben, en na 3 jaar
liggen bleek er nog een tweede te zijn bijgekomen. De arts die mij
behandelde zei dat ik er rekening mee moest houden dat er ook wel eens
iemand dood ging aan tuberculose. Ik had me daarop ingesteld, in de
oorlog gingen er immers miljoenen jonge mensen dood. Dat ik in het
sanatorium lag vond ik nog niet eens zo belangrijk, ik dacht alleen: ik
moet wat te doen hebben. Uit liefhebberij ben ik toen wat filosofie
gaan doen en ben ik ook psychologie gaan studeren. Maar Onze Lieve Heer
had het anders bekeken, want ik ben, ondanks de hongerwinter en alles
wat er in de oorlog gebeurd is, toch weer opgeknapt.
Anti-tuberculosemiddelen waren er toen nog niet, die zijn pas later
gekomen. Uit Zwitserland kwam na de oorlog het bericht dat men medische
studenten met tuberculose een gratis behandeling wilde geven, want alle
sanatoria stonden leeg. Onze geneesheer directeur zei: die Zwitsers
kunnen geen tuberculose behandelen, wat natuurlijk kolder was. Maar als
we wilden konden we ons opgeven, ik heb dat direct gedaan. We zijn in
mei 1946 met een groep patiënten per trein naar Zwitserland
vervoerd.
Daar zijn we in een sanatorium opgenomen en we werden er perfect
behandeld, eerste klas! Wat een rijk leven, de mensen hadden goede
kleren en waren goed gevoed. Wij waren er allemaal nogal slecht aan
toe. We kregen één Zwitserse franc zakgeld per
dag, gratis liggen en
behandeling, ik was daar zeer dankbaar voor. Ik was al een lopend
patiënt, het was lekker weer, er was mooi uitzicht, prachtige
bergen.
Ik ben daar erg opgeklaard, ook psychisch, en ik werd langzaam beter.
Ik was geïnteresseerd in de vraag of je een tuberculose
behandeling
misschien ook met psychotherapie zou kunnen ondersteunen. Daar heb ik
over geschreven, ik schreef ook dat een tuberculose patiënt
anders zou
zijn dan andere mensen, dat was twijfelachtig, maar ik heb dat toen zo
goed mogelijk beschreven. Ik kwam in contact met andere sanatoria, in
Leysin waren in totaal zestig sanatoria met duizenden
patiënten. De
geneesheer directeuren vroegen me of ik bij hen wilde komen werken, dan
kon ik die patiënten behandelen en met ze praten. Ik heb daar
een
gouden tijd gehad. Ik kon lopen, ik voelde me lekker, ik werd overal
ontvangen en alles kon. Ik had één boek
geschreven en ze boden me een
baan aan! Ik had daar wel zin in, maar het kon niet, ik was nog steeds
patiënt. Ik had allerlei gegevens verzameld en had met veel
patiënten
gesproken. De verslagen daarvan zijn in het boek gekomen. Ik pleitte
ervoor om tuberculose patiënten niet te laten verrekken in
eenzaamheid,
maar ze ook aan te moedigen. Het boek heeft een merkwaardig succes
gehad, het is in Nederland gedrukt en herdrukt, en werd verplichte
lectuur voor verpleegkundigen. Later kwamen er geneesmiddelen voor
tuberculose, dat hielp natuurlijk veel beter en sneller. Het boek is nu
volkomen verouderd; tuberculose is in Nederland sterk teruggelopen en
dat is goed. Het boek was toen actueel, nu niet meer.
Hoe bent
u geïnteresseerd geraakt in Jung en ertoe gekomen een
boek over hem te schrijven?
Toen ik nog een jonge student was, vond ik in de bibliotheek van mijn
vader een boekje van Jung, in het Duits. Ik probeerde het te lezen,
maar ik begreep er weinig van, het was veel te moeilijk voor me. Zinnen
van een halve bladzij, met bijzinnen, nevenzinnen en veel dure woorden.
Om daar uit te komen had ik voor ik het wist bladzijden vol met
aantekeningen gemaakt. Ik vond het moeilijk, maar had wel in de gaten:
dit is iets, dit is een heel beroemde man. Dus ik bleef proberen het te
lezen. Later las ik andere boeken van hem met een dictionaire erbij,
dan schreef ik voor mezelf op wat ik begrepen had. Hoofdbegrippen als schaduw, individuatie, collectief onbewuste,
termen waar ik nog nooit van gehoord had, schreef ik op om uit te
zoeken wat ze precies betekenden. Ik probeerde dat zo goed mogelijk in
eigen woorden weer te geven. In het Hollands. Later ben ik ook over
Jung gaan lezen. Uiteindelijk had ik het één en
ander bij elkaar, voor
wie niets van Jung wist: dan heb je hier wat woorden.
Is zo uw
boek over Jung ontstaan?
Ja. Er was er een uitgever van pocketboekjes, van die
hele dunne boekjes van 10 bij 15 cm met een papieren omslagje. Die
vroeg of ik van mijn aantekeningen een boekje wilde maken. Het was
bedoeld voor een serie die heette: Helden
van de Geest.
Die serie ging
over allerlei onderwerpen. Ik heb toen een heel dun boekje geschreven,
met een levensbeschrijving van Jung en met zijn hoofdbegrippen zoals ik
die zag, misschien was het wel onzin. Dat boekje is pats! in
één klap
verkocht. De hele oplage. In een mum van tijd. Voor het Nederlandse
publiek dat geïnteresseerd was, was er toen nog niet veel. Er
zijn vijf
drukken achter elkaar geweest, ik heb het steeds wat uitgebreid. Het
werd telkens wat dikker. Het werd mooier gedrukt met een nette kaft.
Uiteindelijk werd het een echt boek. Heel wat ouderen hebben dat boekje
nog in huis. Het was zo’n beetje de algemene informatie in
die tijd.
Iedereen die wat over Jung wilde weten kocht dat boekje en daar stond
dan mijn verhaal in. En later, dat is heel belangrijk geweest, heeft
Pety de Vries Jungs werk in het Nederlands vertaald. Daar hebben we
veel aan gehad. Toen kon je Jung zelf lezen, in het Nederlands. Dat was
mooi. Dat boekje van mij was toen al lang uitverkocht.
U
studeerde bij professor Carp en werd assistent bij hem. Kunt u
daar wat over vertellen?
Professor Carp was hoogleraar psychiatrie in Leiden, en ik werd
assistent bij hem om mijn opleiding in de psychiatrie te krijgen. Ik
heb steeds een prettig contact met hem gehad. Carp was een wonderlijke
man, erg gesloten, wat moeizaam soms, omdat hij niets over zijn
privéleven wilde vertellen. Maar ik kon goed met hem praten
en hij
heeft me aangemoedigd. Hij zei: als jij interesse in Jung hebt: prima,
ga je gang. Hij schreef een boek over Jung, hij vond dat hij het
Nederlandse volk moest inlichten over nieuwe opvattingen over
psychotherapie. Het was een uitstekend boek. Ook uitverkocht
natuurlijk. We hadden toen bij elke universiteit maar
één psychiater
als hoogleraar. Dus één in Leiden,
één in Amsterdam, Utrecht, Nijmegen,
Groningen, later kwam Maastricht erbij. Op het laatst waren er zes,
meer niet. Die hoogleraren kwamen eens in de één
à twee maanden bij
elkaar, en dan zaten ze onderling een beetje tegen elkaar op te bieden.
Ze namen elk een assistent mee die een voordracht moest houden, op
zo’n
dag hielden drie assistenten voordrachten, en die moesten dan tegen
elkaar opwegen (lacht). Ik heb ook herhaalde malen moeten optreden. Zo
hielden de hoogleraren contact met elkaar. Ze hadden ook bewondering
voor elkaar, het was geen slechte verhouding.
Professor Carp verwijst in zijn
handboeken naar Jung en schreef een
boek over Jung. Hoe werd dat ontvangen door zijn collega’s?
Dat weet ik niet. In die tijd was Jung iets nieuws. Carp wilde het
publiek daar iets over vertellen.
Maar hoe
werd er in de klinische
wereld over Jung gedacht? Ik begrijp dat er intellectuelen waren die
geïnteresseerd waren in Jung, hoe was dat binnen de
psychiatrie en de
psychotherapie?
Carp
was een belangrijk man in de psychiatrie en hij
had interesse voor Jung. Maar daarna? Het blijft een beetje stil
daarna.
Daar heb je wel gelijk in. Jung is wat uit de
psychiatrie en
psychotherapie verdwenen en men ging zich meer bezighouden met algemene
beschouwingen over de menselijke psyche. Maar Jung probeerde wel
degelijk patiënten te behandelen met droominterpretatie en
psychotherapie. Hij had leerlingen die dat ook deden. Als je hulp nodig
had kon je naar Zwitserland gaan en bij Jung of bij
één van zijn
leerlingen een behandeling krijgen. Jacques Noordzij (zie interview met
Noordzij) heeft
dat gedaan
en anderen ook, maar ik ben daar nooit in behandeling geweest.
Maar u hebt wel contact met Jung
gehad over een behandeling via
tekeningen van een patiënte, en u heeft daar ook over
gepubliceerd.
Ja, dat was later. Hoe is dat ook alweer gegaan…. Mijn
vader, die
een belangrijk man was in het toenmalige Nederlands Indië, en
die zich
toen hij gepensioneerd was nog steeds heel belangrijk voelde, vond het
maar niets dat ik medicijnen was gaan studeren. Hij dacht mij een
plezier te doen door me mee te vragen naar de School voor Wijsbegeerte,
waar Jolande Jacobi een cursus gaf. Dat was aardig van hem, dus ik zei:
graag! Zo zijn wij daar samen heen geweest. Ik was nog jongere jaars
student en een beetje dwars natuurlijk. Mevrouw Jacobi hield een
voordracht over Jung en ze deed dat heel goed, ik heb er veel van
geleerd. In de pauze gingen we even buiten zitten, lekker in het
zonnetje, en daar heb ik een oude dame ontmoet. Die vertelde dat ze
zelf ooit bij Jung in behandeling was geweest, jaren geleden, wel
zo’n
30 jaar terug. Ze had toen vreselijke angsten gehad en Jung had haar
daarvan genezen. Ze zei dat ze tekeningen had gemaakt en dat Jung die
bekeken had en met haar besproken had. Ik vroeg wat dat dan voor
tekeningen waren en ze zei: o, die staan ergens in een map op zolder.
Ze was ze vergeten, wat ik wel zonde vond. Toen heeft ze die map een
keer meegenomen en heeft ze me die tekeningen laten zien. Ze waren
gruwelijk, het waren tekeningen vol angst. Ze tekende goed, ze kon
nuances aanbrengen, ze kon zich beter uitdrukken in tekenen dan in
praten. Toen ze met die tekeningen bij Jung kwam, vroeg hij haar wat ze
te betekenen hadden, maar dat wist ze niet. Hij is ze gaan
interpreteren en zo hebben ze samen achterhaald waar zij moeilijkheden
mee had. Maar 30 jaar later was zij dat allang weer vergeten, ze was
beter, ze voelde zich goed. Ik probeerde er, met haar toestemming, over
te praten, maar ze kon me niets vertellen, ze wist er vrijwel niets
meer van.

Afb 2. Illustratie uit
Beelden uit het onbewuste, 29. De vlo. Dit is één
van de laatste tekeningen uit de serie, waarin al afstand wordt genomen
van de eerder bestreden angsten. René van Helsdingen
beschrijft deze tekening als een ‘parodie op de eigen
preutsheid’, waarbij ‘een non in katzwijm valt om
de vlo op haar voet die door een aap wordt opgepeuzeld, en blijkbaar
niet in het minst verstoord is door het feit dat een begerig monster
haar van achteren omvat en bij de borsten grijpt. Patiënte is
eindelijk in het stadium dat zij glimlachen kan om preutsheid en onecht
vertoon van zedigheid (….) Zij is zich thans bewust van haar
eigen rijpe vrouwelijke gevoelsontwikkeling’.


Afb 3. Jung zelf schreef een voorwoord bij "Beelden uit het onbewuste". Dit is een kopie van dit voorwoord uit het engelstalige collected works CW 18 § 1252 -5
Hoe heeft u er dan toch over
kunnen schrijven als zij het zelf niet
meer wist?
Ik had een goed contact met haar, ik ben
bij haar thuis
geweest en ze heeft me over haar leven verteld. Over die tekeningen
dacht ik: daar is wel wat over te zeggen. Maar dat bedacht ik dan zelf,
zij kon er geen ja en geen nee op zeggen. Ik dacht: als je een droom
hebt, dan zijn dat beelden die je kunt interpreteren. Die tekeningen
waren ook beelden en ik heb geprobeerd die te interpreteren. Ik heb dat
zo goed mogelijk opgeschreven en legde het aan Carp voor. Die had er
wel aardigheid in, hij vond het leuk dat ik dat deed en zei dat het
best waar kon zijn wat ik erover geschreven had. Op een dag zei Carp
dat Jung in Amsterdam was voor een voordracht. Hij had hem uitgenodigd
om de volgende dag bij ons in Leiden te komen en zei dat ik dan maar
een voordrachtje moest houden. Ik dacht: verdorie, in het Duits, en
voor zo’n belangrijke man! Ik kneep hem, ik vond het
vreselijk. Ik had
ook geen casus, dat geval van die dame was veel te uitgebreid, dat kon
niet. Ik heb toen een willekeurige patiënt die een beetje
volgens Jung
was uit te leggen genomen, en heb zo goed en zo kwaad als het ging dat
verhaal gehouden. Het was in een klein collegezaaltje. Op de voorste
rij zat Carp met Jung naast zich, daarnaast de hoofdassistent en de
conservator, daarachter de assistenten en nog een rij assistenten, en
dan de co-assistenten en de studenten. Daar moest ik pang! als eerste
het woord voeren. Ik weet niet meer wat ik verteld heb. Toen ik klaar
was bedankte Carp me voor het aardige voordrachtje en Jung zei alleen
maar: ‘Das war ja ganz interessant!’ en verder
niets. Toen wist ik dat
het niet goed was, maar ik was er tenminste van af. De volgende dag
echter zei Carp: ik heb Jung een brief geschreven en ik heb hem
gevraagd of hij jou niet zelf wil ontvangen. Daar werd snel op
gereageerd door de secretaresse van Jung, twee dagen later kwam er al
een brief uit Zwitserland dat ik kon komen. Daar kon ik geen nee op
zeggen en ik ben erheen gegaan. Ik ben twee keer een middag, een paar
uur, bij Jung geweest, en samen hebben we die tekeningen bekeken. Later
ben ik nog een keer op zijn verjaardag geweest, daar werd ik voor
uitgenodigd. Dat zijn de enige keren dat ik Jung gezien heb. Jacques
Noordzij, die kent hem persoonlijk, en natuurlijk professor Quispel,
dat was een vriend van Jung. Dat zijn de mensen die wat van Jung
weten.
Er was toen nogal wat animositeit tussen Freud en Jung en dat speelde hier ook. Freud was hier populair en Jung was dat veel minder.
Ja, dat was zo. Terwijl in de
beginjaren van de psychoanalytische
beweging in Nederland een deel van de psychoanalytici hier in analyse
was geweest bij Jung of bij één van zijn
leerlingen.
Merkwaardig,
psychoanalytici die onder behandeling bij Jung waren, dat wist ik
niet.
Harry
Stroeken scheef daarover (zie
hier). Hij
heeft dat uitgezocht. Maar hoe
ging dat verder, wat gebeurde er hier met de ideeën van Jung?
Carp had
interesse in Jung, u had interesse in Jung….
Maar wij hebben geen Jungse analyses gedaan. We dachten alleen: we
moeten bekendheid geven aan de leer van Jung en daar was wel
belangstelling voor. Ik was neuroloog én psychiater, ik
moest van alles
doen, ik had mensen met rugpijn, hoofdpijn, tumoren, wat niet al. Ik
had ook wel eens een psychotherapie patiënt, maar het was niet
zo dat
ik die volgens Jung behandelde. En ik had ook geen speciale
tekentherapie. Ik maakte gebruik van wat ze mij brachten. Ik heb mensen
gehad die zich konden uitdrukken in bijvoorbeeld muziek. Als je een
voorkeur hebt om je ergens in te uiten, waarom niet? Ik had de taak om
te luisteren, me af te vragen: wat wil iemand vertellen? Dat vond ik
interessant. Ik luisterde, ik moest het verhaal opschrijven, ik moest
ze beter krijgen. Het ziekenfonds betaalde, dus opschieten! Ik ging wel
in op hun problemen, en er waren ook mensen die zo mooi verzekerd waren
dat ze zich konden veroorloven eens in de week drie kwartier te komen,
maar dat waren uitzonderingen. De meesten moesten binnen 20 minuten de
spreekkamer weer uit zijn en ik probeerde ze zo goed mogelijk te
helpen. Veel mensen hebben trouwens helemaal geen behoefte om zoveel te
vertellen. Maar ik had ook meer ontwikkelde patiënten, er was
er één
die componeerde, die maakte prachtige muziek, en anderen tekenden. Als
je iemand kan helpen om dat wat hij aan mogelijkheden in zich heeft te
ontwikkelen, dan is dat mooi. De man die op mijn aandringen ging
componeren, want hij was eigenlijk een componist, die heeft iets aan
mij opgedragen, dat was erg aardig. Er waren ook mensen die prachtige
dromen hadden en die schreef ik op, dat gaf mij inzicht in waar de
schoen wrong. Maar het was vaak moeilijker dan ik gedacht had. Ik
dacht: hoe meer ik naar een ander luister hoe beter ik het begrijp.
Maar ik kan mezelf soms niet eens goed begrijpen, laat staan een
ander.
Waren er veel collega’s
die de psychiatrie en de
psychoanalyse met
elkaar verbonden?
Nee, ik dacht van niet. De echte psychiatrie vond de psychoanalyse
en Jung een beetje flauwekul. Ze wisten wel te vertellen wat Freud
gezegd zou hebben in een bepaald geval, maar het ging er wel om de
patiënt beter en weer aan de gang te krijgen. En die
langdurige Freudse
analyse, vier keer in de week drie kwartier op de bank liggen! Dat werd
door geen enkele verzekering betaald, men moest dat zelf betalen.
Worden jouw patiënten door de verzekering betaald?
Nee. Ze komen bij voorkeur minstens twee keer per week, soms één keer, dat is nog
net zo. Maar wat ik u nog wilde vragen: had u contact met
collega’s die
geïnteresseerd waren in Jung, of met andere
geïnteresseerden?
Niet speciaal met collega’s. En de Jung Vereniging is
weer veel
later opgericht, in 1983. Als ik het goed heb waren de oprichters Lolke
Peppelinghuizen, Pety de Vries, Leo Giessen, Hans de Smit, Joop van
Birgelen. Dat was voor mijn tijd, ik heb het niet opgezet. Pas later
ben ik lid van het bestuur geworden. Ik geloof dat die eerste
grondleggers bang waren dat een Jung Vereniging een soort liefhebberij
zou worden van mensen die ook wel eens wat gelezen hadden. Ze wilden
iets serieuzers, meer wetenschappelijk. Ze noemden de vereniging
Interdisciplinaire Vereniging voor Analytische Psychologie (IVAP), de
leden moesten gestudeerd hebben, het moest niveau hebben, en ze gaven
het een interdisciplinaire opzet. Ik vond het altijd een prettig
publiek, het waren mensen die geïnteresseerd waren en wilden
weten wat
Jung gezegd had, en ik had de naam dat ik dat wist, ik wist het evenmin
hoor. Het waren intellectuelen, gewoon algemeen Nederlandse
intellectuelen.
Was er vóór
die tijd nog iets, een vereniging of
beroepsverband?
Daar kan ik je helaas niet over inlichten, ik zat niet in die
verenigingen, ik had zoveel andere dingen te doen. Ik heb dat boekje
geschreven, dat werd gelezen, en ik hield hier en daar een
voordrachtje.
Hoe zag u de verhouding tussen
Freud en Jung?
Jung heeft Freud vijf jaar gekend, vijf jaar maar! Hij kwam met
Freud in contact in 1907, hij was toen 32 en na vijf jaar kwam het al
tot een breuk. Jung beschrijft hoe die ontstaan is, dat weten we
intussen. Ik geloof wel dat het klopte. Jung had een bredere kijk, hij
zag de persoonlijke problemen, vooral die in de jeugd en de seksuele
conflicten, niet als de enige, hij zag ook andere probleem gebieden.
Hij heeft daar uitvoerig over nagedacht en heeft daar een theorie over
ontwikkeld. Hij sprak over anima
en animus,
individuatie,
het collectieve
onbewuste,
al die dingen waarover Freud e.a. weinig gezegd
hebben. Jung heeft zijn eigen gedachtengang ontwikkeld en ik zie daar
wel wat in. Als het collectieve onbewuste bestaat, waarin de
oerproblemen van de mensheid aanwezig zijn, altijd aanwezig zijn
geweest zolang de mens bewust is, dan was dat bij de prehistorische
mensen al zo. Vondsten in graven uit de prehistorie wijzen in die
richting. Men geloofde toen al aan krachten buiten het bewuste leven
van de mensen om. Ik ben geneigd om dat te geloven. Ik denk dat Plato
gelijk had, die zei dat wij vanaf onze geboorte een onbewust weten
hebben van de oerproblemen van de mensheid. In de loop van het leven
komen we ermee in contact en dan herkennen we wat. Dat alle kennis een
herkennen is, ik ben steeds meer geneigd dat te denken. Ik ben in mijn
leven ook dingen tegengekomen waar ik paf van stond. Dan had ik een
aha-beleving en dacht ik: dat moet het zijn. Maar wanneer is een
aha-beleving juist en wanneer niet? Soms als je ergens omheen denkt,
steeds weer er omheen denkt om te zien wat de oplossing is, dan komt er
iets, komen er meerdere dingen die met elkaar in overeenstemming zijn
en ga je denken: ik zit op het juiste spoor. Maar je kunt ook verkeerd
zitten. Zoals met je patiënten, als je te snel denkt: dat is
natuurlijk
dat. Pas daarmee op! Mijn fout was dat ik altijd te vlug dacht dat ik
wist wat iemand had. Dat is kwalijk. Laten we eerst maar eens praten en
nadenken en nog eens nadenken, dan zie je dat de dingen anders liggen
dan ze je vertellen. Wat de patiënt mij vertelt is een
oppervlakteverhaal, daaronder ligt het anders. Hoe dat te achterhalen?
Echte grote mensen luisteren en proberen te begrijpen, ik denk dat
díe
mensen inzicht hebben. Zo was Jung ook. Die knikte en trok aan zijn
pijpje, knikte en glimlachte, en soms vroeg hij wat. Opeens denk je:
die man ziet meer dan ik. Als het je lukt om te begrijpen wat er in
iemand omgaat, en dat dat samenhangt met de hele mensheid, ben je een
stuk verder. Maar je kunt ook grote fouten maken, je kan uit je duim
gaan zuigen. Dus mensen die menen alles te weten, dat zijn vaak de
mensen die ernstig fout zijn. Ik word nu wat wijzer en houd mijn
meningen maar klein. Ik ben veranderd in de loop van mijn leven.
Vroeger wist ik het allemaal te goed.
Luisteren en proberen te
begrijpen, niet denken dat je alles weet,
dat is uiteindelijk voor u het belangrijkste.
Ja.
Iemand vindt
vaak zelf de weg die hij moet gaan. Maar hij moet wel iemand hebben aan
wie hij het kan vertellen en die er begrip voor heeft. Begrip vinden
bij een ander, dat is de helft van de genezing. En dan is er nog dat
merkwaardige verschijnsel: een mens kan iets vergeten en het zich later
weer herinneren, maar hij kan het ook verdringen. Verdringen is een
kunst die wij mensen hebben om met kracht iets van ons af te zetten,
zodat we er niets meer van weten. We zien dat bij mensen die in de
oorlog vreselijke dingen hebben meegemaakt, en die daar later niets
over kunnen vertellen. Soms, twintig of dertig jaar later, als ze het
overleefd hebben, komt het opeens terug, en O God! dan worden ze
compleet gek. Verdringing is dan zelfredding, je moét het
soms
gebruiken om in leven te blijven. Misschien kunnen ze het later, in
psychotherapie, in gedeelten, met kleine grapjes, met kleine hapjes,
proberen in te passen in hun leven. Met hele kleine beetjes tegelijk
het voorzichtig onder woorden brengen, om het eindelijk in hun leven te
kunnen plaatsen. Als het ze lukt. Soms lukt het niet. Ik kan me
voorstellen dat het soms ook haast niet te verdouwen is. Teveel
confronteren, ik kan daar zelf niet tegen. Ik word nog steeds beroerd
van televisieprogramma’s over de Jodenvervolging en Hitler en
al die
ellende, ik ben zelf nog steeds niet over de oorlog heen, al heb ik
niets meegemaakt. Die vreselijke dingen uit de oorlog, soms denk ik:
die kun je misschien maar beter verdringen, verdringen kan ook een
redding zijn. Een ander gevaar is dat je soms teveel wilt begrijpen, je
kan ook te zeer in de huid van de ander kruipen. Dan is het gevaar dat
je meegesleurd wordt, je er zelf gek van wordt. Pas dan op! Er zijn nog
steeds psychiatrische stoornissen die ik althans niet kan invoelen of
begrijpen, en dan bedoel ik de psychosen. Ik ben blij dat de
psychoanalyse en Jung en vele anderen in het begrip daarvan wat verder
zijn gekomen. Uiteindelijk heb ik van mijn patiënten veel
leren
begrijpen, dingen die ik aanvankelijk niet begreep. Ik geloof dat ik
het meest heb geleerd van anderen die rustig konden luisteren en die
alleen maar mee wilden leven met de patiënt, zonder zelf gek
te worden.
Deed Carp dat?
Carp deed wel een poging, maar het was niet zijn
sterkste kant.
Hij was vooral een man van de wetenschap. Hij zocht de juiste
formuleringen en probeerde in wetenschappelijke termen uit te leggen
wat anderen gezegd hadden. Maar dat hij meeleefde, nee, dat geloof ik
niet. Als je wilt kan ik je als voorbeeld van wat ik bedoel wel een gek
verhaal vertellen. Een aantal jaren geleden kreeg ik een hartinfarct.
Ik werd opgenomen en gedotterd, ik zou genezen zijn, en ik moest maar
eens een wandeling maken door het ziekenhuis. De co-assistent zou
achter me lopen, want ze wisten niet of ik het kon. Dat viel me niet
mee. Ik moest een gang door en trap op, trap af, ik hijgde en voelde me
belazerd. Ik dacht: ik lag daar al op een kamertje alleen, een
doodgaanderskamertje, dat is niet best. Ik was blij dat ik dat kamertje
weer haalde, ik donderde zo mijn bed in en zei: sorry, ik voel me
beroerd. Toen zijn ze enorm geschrokken. Ze moesten in de kortst
mogelijke tijd een cardiogram maken, ze hebben het kunnen redden,
anders zat ik hier niet. Ik dacht: ik leef nog wel, maar eigenlijk heb
ik de leeftijd ervoor, dus laat mij maar gaan. En terwijl ik in die
kamer lag kwam er na een paar dagen iemand bij me op bezoek, de rector,
een jonge katholieke geestelijke. Ik ben niet katholiek, maar ik mocht
hem graag. Hij zei: ik kom eens kijken hoe het gaat, en hij ging naast
mijn bed zitten. Ik vertelde wat er met me was en ik zei: ik zou zo
graag nog even meespelen! Ja, zei hij, ik ook. En toen deed hij wat
absoluut niet mocht in dat ziekenhuis, hij stak heel kalm een sigaret
op, in een doodgaanderskamertje! Hij stak alleen maar die sigaret op en
zei verder niets, ik zei ook niets. Hij zat naast mijn bed en het deed
me vreemd genoeg verdomd goed dat hij daar zat. Toen hij eindelijk zijn
sigaret uitmaakte zei hij: ik geloof dat ik maar weer eens ga, en hij
ging weg. Het gekke was dat ik dacht: ik wil wel weer, ik was psychisch
een stuk verbeterd. Zo blij! Zo van godsidorie nou ga ik weer! Dat is
nu vijftien jaar geleden. Ik was enorm opgeklaard en hij had niets
gezegd! Alleen een sigaret gerookt en gezegd: ik ga weer. Ik kan alleen
maar zeggen: ik mocht die man zo graag en hij mocht mij. Wat ik bedoel
is: wat je met je patiënten doet, is luisteren en meeleven en
een
enkele keer een inlichting vragen. Daar doe je mensen al ontzettend
veel plezier mee, dat is de helft van de therapie. En of je nou
één of
andere verklaring geeft, dat maakt soms niet zoveel uit, die verklaring
kan ook fout zijn. Maar het feit dat iemand naar je luistert, dat lucht
op. Dat is in elk geval waar ik het meest van genoten heb, dat sommige
mensen begrip voor me hadden. Als ik vond dat ik het moeilijk had, dan
was ik gerustgesteld te merken dat anderen het ook moeilijk vonden, dat
geeft een gevoel van vertrouwdheid.
Wat een mooi verhaal! Tot slot
zou ik u nog willen vragen: er
bestaat een van Helsdingen Prijs, op het gebied van psychiatrie en
filosofie, kunt u daar nog wat over vertellen?
Die prijs bestaat nu een jaar of twintig. Ik ben opgeleid tot
zenuwarts, eerst tot arts en daarna tot psychiater. In die tijd waren
psychiatrie en filosofie gescheiden, je kon filosofie studeren of
psychiatrie, maar dat was gescheiden. Ik had in mijn studententijd al
het gevoel dat ik meer van filosofie wilde weten, voor mijn
patiënten,
voor van alles. Toen er tuberculose bij mij werd geconstateerd en ik in
het sanatorium belandde, wou ik wat te doen hebben, want ik had geen
pijn en ik lag me te vervelen, alles bij elkaar heeft het zes en een
half jaar geduurd. Dus ik ben toen een cursus gaan volgen bij de Leidse
Onderwijs Instellingen, een gewone schriftelijke cursus filosofie, bij
dr. Vloemans. Dat beviel me uitstekend, de lesjes werden nagekeken en
je kreeg ze weer terug, zo heb ik de eerste beginselen geleerd. Later
ben ik nog jarenlang bij dr. Vloemans thuis geweest. Toen die overleed
ben ik overgegaan naar professor Verhoeven, Cornelis Verhoeven, die
heeft me tot voor enkele jaren regelmatig les gegeven. Dat wil zeggen,
hij liet me boeken lezen en ik maakte uittreksels. Later kwam hij zelfs
bij me thuis, dan praatten we erover. Zo ben ik in de filosofie terecht
gekomen, ik ben geen filosoof, heb geen universitaire titel. Ik dacht:
het contact tussen de psychiatrie en de filosofie zou eigenlijk
aangemoedigd moeten worden. Nadat ik gepensioneerd was heb ik een
Stichting opgericht, Psychiatrie en Filosofie, en die heeft succes
gehad. De Stichting houdt twee keer per jaar een bijeenkomst en eens in
de twee jaar reikt ze een prijs uit. Een prijs voor de beste scriptie
op het gebied van psychiatrie en filosofie, voor mensen die nog niet
bekend zijn, dus voor jongeren, niet voor hoogleraren. Het moet in het
Nederlands zijn geschreven, ook Vlamingen kunnen meedoen, maar het is
niet internationaal, het is echt bedoeld voor Nederland. Elke twee jaar
komen er deelnemers en steeds krijgt er één de
prijs. De Stichting is
nu samengegaan met de School voor Wijsbegeerte in Amersfoort. Ik zit
niet meer in het bestuur, ik ben te oud, maar het loopt goed en er is
belangstelling voor. Ik had er veel plezier in. Het zou wat meer
bekendheid moeten krijgen, dat is iets voor het nieuwe bestuur. Ik heb
er privé-geld in gestoken, ik hoop dat het doorgaat als ik
er niet meer
ben.
En moeten de deelnemers een
scriptie opsturen?
Nee, een essay mag ook, ze hebben de vrije keus, als het maar gaat
over psychiatrie en filosofie. Er zijn er ook die een mogelijk
onderwerp krijgen aangeboden, waar ze dan aan kunnen werken. Er zijn
allerlei soorten inzendingen. Ik vind het jammer voor de mensen die
inzenden en de prijs niet krijgen.
Ik heb begrepen dat een aantal
mensen een benoeming als hoogleraar te danken heeft aan het winnen van
die prijs.
Ja, er zijn er die verbluffend snel na die prijs hoogleraar zijn
geworden, want wie die prijs kreeg, kwam in de bekendheid. Het heeft
vast een rol gespeeld, al kan ik dat niet bewijzen. BM: Mag ik U heel
hartelijk danken voor dit interview?
Tekstbewerking Ciske Balhan
Naschrift
Over Beelden uit het Onbewuste
Na het maken van de tekst van
dit interview en na het lezen van Beelden
uit het onbewuste, dat antiquarisch niet meer te krijgen is en ook niet
in de Koninklijke Bibliotheek aanwezig is, maar gelukkig nog wel
bewaard wordt in de C.G. Jung Bibliotheek, rezen nog een paar vragen.
René van Helsdingen was zo vriendelijk die alsnog, op 5
april 2009, aan Ciske Balhan te beantwoorden.
CB: Uw eigen ervaring
lijkt vaak een bron voor u te zijn geweest om te komen tot het
schrijven van een boek. Zoals uw ervaring als tuberculose
patiënt, of uw interesse in Jung en uw pogingen zijn teksten
te begrijpen, tot boeken hebben geleid. In ‘Beelden uit het
onbewuste’ beschrijft u aan de hand van tekeningen de
problematiek van een jonge vrouw die, zoals u schrijft, worstelde met
o.a. de tegenstelling tussen haar Indische geboorte en haar Westerse,
religieuze opvoeding. U noemt het een ‘confrontatie met de
krachten van de natuur In Indonesië’. Heeft uw eigen
jeugd in Indië u geholpen haar tekeningen beter te begrijpen?
RvH: Nee, ik heb me vooral gericht op die tekeningen en op de
problematiek van die mevrouw. Ik heb daar nooit over nagedacht of een
verband gezien, je bent de eerste die dat vraagt. Ik zou dat ook niet
willen, je eigen ervaringen er geforceerd induwen, die suggestie zou ik
niet willen wekken. En wat ik erover schreef: dat waren natuurlijk
veronderstellingen, waarbij ik me wel gesteund voelde door wat Jung
erover zei. Ik zou nu niet eens meer precies weten wat ik toen
geschreven heb, het is al meer dan een halve eeuw geleden!
Toch is het ook nu
nog interessant. Vanwege uw werkwijze, maar ook vanwege de Oost-West
dynamiek die erin aan de orde komt.
Ja, die zit er heel sterk in.
Zijn die tekeningen
nog ergens bewaard, zou het ooit nog herdrukt kunnen worden?
Die tekeningen waren van haar en zij is al lang overleden, dus die
zijn er waarschijnlijk niet meer. Ooit is er een soort heruitgave
geweest, toen is het gecopiëerd. Maar ik zou niet weten of
daar nu nog belangstelling voor zou zijn.
Misschien moet iemand
er maar eens wat over schrijven.
Dat zou
een goed idee zijn, dat zou de Jung Vereniging leuk
vinden!
Literatuur
R. J. van Helsdingen, De psychologie van de tuberculosepatiënt. Mogelijkheden van psychotherapie, Amsterdam, Strenghold, 1951. Eerder verschenen als proefschrift te Leiden.
R. J. van Helsdingen, Beelden uit het onbewuste, Arnhem, van Loghum Slaterus, 1957. Met een voorwoord van Jung (zie CW 18, 1252-5) en een inleiding van Carp. R. J. van Helsdingen, Jung. Helden van de Geest, nr. 34, Den Haag, Kruseman, 1964. Meermalen herdrukt en uitgebreid als C.G. Jung, in 1974, 1979, en 1983. R. J. van Helsdingen, Het duivelskind: een ‘nieuw’ archetype naar aanleiding van de film De baby van Rosemary, Maasluis, Labaz, ca.1975
R. J. van Helsdingen, De dood in Venetië – Thomas Mann – Psychologische Beschouwingen, Maasluis, Labaz R. J. van Helsdingen, De managerziekte en Prometheus, Den Haag, Labaz – Holland, zj
P. Revis, Interview met René van Helsdingen, in: Jaarboek van de Interdisciplinaire Vereniging voor Analytische Psychologie, 2006.